28 Augustus - Mijnbouw
De ontginning van mineralen zou een middel kunnen zijn om het land en zijn bevolking een inkomen te bezorgen. Tot vandaag worden vele mijnen uitgebaad door bedrijven uit het noorden: VS, Canada, Verenigd Koninkrijk, etc. Het is duidelijk dat deze bedrijven niet in de eerste plaats komen om de mensen en het land te helpen in hun ontwikkeling naar meer welvaart. Dat zou toch de eerste motivatie moeten zijn bij ontginning: natuurlijke rijkdommen die in de grond zitten, omzetten in andere rijkdommen die de welvaart van het land bevorderen (wegen, infrastructuur, onderwijs, gezondheidszorg). In elke andere vorm betekent het een netto verarming. Maar dat staat natuurlijk niet in het bedrijfsplan ingetekend. Omwille van het multinationale karakter en de omvang van deze bedrijven, is het vaak het bedrijf die de regels bepaalt. Ze stellen zich op boven het niveau van de staat en spelen zo de overheden tegen elkaar uit. Dit resulteert in wetgevingen naar de hand van de mijnbouwbedrijven. Op deze manier blijft er bitter weinig van de natuurlijke rijkdom over om ‘om te zetten’ in andere rijkdommen. Men beweert een inkomen te genereren voor de lokale bevolking, maar na een 20-tal jaar (de gemiddelde levensduur van een mijn) blijven er een hoop mensen achter zonder werk en een streek zonder de rijkdommen die het ooit bezat. De verloning voor de geleverde arbeid is maar normaal, wat niet wegneemt dat uiteindelijk de grondstoffen zelf wel verdwijnen. De werkgelegenheid is tijdelijk en de natuurlijke rijkdommen zijn weg (‘gestolen’) zonder noemenswaardige positieve veranderingen achter te laten. Bovendien gaan er grote oppervlaktes bewerkbare grond verloren voor de landbouw tijdens de uitbating van de mijn. Dus terug naar af is zelfs geen optie.
Aan de andere kant is er nog de manier waarop, die nog een veel groter probleem stelt: elke vorm van ontginning gaat gepaard met het gebruik van een enorme hoeveelheid water en chemicaliën. Echt proper kan je het afvalwater niet noemen (zuren en zware metalen voor de extractie van het mineraal), en door gebrek aan een functionele overheid kan de vervuiler bijna steeds de verantwoordelijkheid ontlopen. Wat achterblijft stroomafwaarts is een vallei die het moet stellen met bijna geen proper water en zwaar vervuilde terreinen die een groot risico voor de landbouw en de gezondheid van de mens inhoudt (de gemiddelde levensduur van deze vervuiling is niet 20 maar wel vele honderden jaren).
De balans lijkt dus eenduidig: negatief. Er zijn twee problemen die een oplossing vragen: de rijkdommen in het land houden en de vervuiling tegen gaan. Deze bedrijven buitengooien of nationaliseren lijkt een optie, toch, deze staatsbedrijven hebben niet de reputatie veel milieuvriendelijker te opereren. En zolang de mineralen in de ondergrond zitten, blijft de dreiging van ontginning. Het hele territorium in het noorden van Potosí is geconcessioneerd en de eigenaar zo’n concessie kan elk moment de ontginning starten.
Verder is er nog zo’n mes dat langs twee kanten snijdt: de coöperatieve mijnbouw. In Llallagua bijvoorbeeld is het mijnbouwbedrijf al lang niet meer (de grootste concentraties aan mineralen zijn al gedolven, wat overblijft is minder rendabel in de ontginning). Een tijdje heeft een staatsbedrijf de activiteiten overgenomen, maar dat was geen lang leven beschoren. Wat nu overblijft is de coöperatieve van de mineros. Nog steeds honderden mensen werken in de mijn, op een min of meer artisanale wijze: wat je bovenhaalt, verdien je. De mijnwerkers werken dus min of meer op zelfstandige basis en kunnen zo wat bijverdienen. Door het lage rendement van de exploitatie is er geen ruimte voor dure waterzuiveringen of milieuvriendelijkere alternatieven. Het complexe van de zaak is dat vervuiler (de mijnbouwer) en slachtoffer van de vervuiling (de landbouwer die afhankelijk is van het water) vaak in 1 persoon vertegenwoordigd zijn. In de gemeenschappen rond Llallagua leeft men van de landbouw. Er wordt ongeveer genoeg geproduceerd om te overleven, maar voor al het overige moet er geld op tafel komen. Vaak gaan de jonge mannen daarvoor een tijd in de mijn werken om wat bij te verdienen. Dit zorgt voor grote tijdelijke migraties, en draagt bij tot de definitieve migratie van vele jongeren die naar de stad strekken.
Een oplossing voor dit probleem ligt dus niet voor de hand. Maar de strategie van Equipo Kallpa bevalt me wel. Toegegeven, het is een werk van lange adem, maar door de productiviteit in de landbouw te verhogen kan voor overschotten gezorgd die dan op de markt verkocht kunnen worden. Dit is een duurzamere en aangenamere manier om geld binnen te krijgen en kan de noodzaak om de mijnen open te houden, wegnemen. Het meest limiterend in deze streek is water. Deze valt geconcentreerd tussen december en februari, nauwelijks genoeg voor 1 gewas per jaar. Met de kleine irrigatieprojecten die in elke gemeenschap worden uitgevoerd, kunnen fruitbomen het hele jaar door groeien. De perziken die zo geproduceerd worden, zijn voor de markt bestemd en brengen aardig wat op. Een investering die rendeert, maar waarvoor het kapitaal meestal niet voor handen is in de gemeenschappen. Dit komt door de lage prijzen van de landbouwproducten vs. de hoge prijzen van industriegoederen (buizen, cement, etc.). Equipo Kallpa vormt een soort tussenpersoon tussen een gemeenschap die om een irrigatieproject vraagt en mogelijke donoren voor de investering: de gemeentelijke overheid, de nationale overheid en buitenlandse NGO’s. Al deze instanties vragen en goed uitgewerkt plan voor de installatie. Equipo Kallpa steunt de vragende gemeenschap bij de uitwerking van de aanvraag, en bij de planning en uitvoering van het project.
Tenslotte past hier ook de actuele discussie rond de belasting op het gas en de olie die wordt ontgonnen in het oosten van het land. Deze nationale belasting moet ervoor zorgen dat deze rijkdommen in het hele land terechtkomen, en betekent dus een geldstroom van oost naar west in het land. De huidige populaire president Evo Morales heeft er al heel wat stemmen mee gewonnen (vooral in het westen uiteraard), en het klinkt mooi. Maar opnieuw moet de vraag gesteld worden: waarvoor worden deze eenmalige rijkdommen aangewend? Nu is het zo dat met deze belasting een soort minimum pensioen wordt betaald aan mensen ouder dan zestig. Daar is op zich niets mis mee natuurlijk, maar is het wel aangewezen om dit soort (continue) uitkeringen te financieren met eenmalige natuurlijke rijkdommen? Als deze grondstoffen uitgeput geraken heeft de toekomstige generatie er niets meer aan. De huidige generatie eigent zich het recht toe om deze middelen voor zich te gebruiken, en zo de mogelijkheden voor toekomstige generaties te verkleinen. Dit is in strijd met alle principes van duurzaamheid en ontwikkeling op lange termijn.
Pagina's: 1 2
Vorig artikel: 19 Augustus - Openbaar vervoerVolgend Artikel: 12 Augstus – Huayna Potosí

